Het geslacht
psittacus,
waartoe de Timneh grijze roodstaartpapegaai behoort, bestaat uit de
volgende ondersoorten:
-
Grijze roodstaartpapegaai -
Psittacus
erithacus erithacus
-
Timneh grijze roodstaartpapegaai -
Psittacus
erithacus timneh
Opmerking
Door sommige auteurs
wordt nog een 3e ondersoort onderscheiden, namelijk de
psittacus erithacus princeps die voorkomt op de eilanden Macias Nguema
(voormalig Fernando Poo), en Principé.
T. Arndt merkt hier
echter in ”Lexikon der Papageien, Band 3” over op dat deze soort niet
als ondersoort erkend moet worden omdat maar 50% van de vogels van
Macias Nguema en Principé een donkerder verenkleed hebben. De
kleurvariëteit zou daarmee nog ruim binnen die van de nominaatvorm
liggen.
Timneh grijze roodstaartpapegaai - Psittacus erithacus timneh
Formaat:
30 cm.
Ringmaat:
10 mm.
Geslachtsonderscheid:
Tussen beide geslachten is weinig verschil. Zekerheid kan verkregen
worden door de vogels endoscopisch dan wel middels DNA-(veer)onderzoek
te laten seksen.
Man en pop:
De timneh grijze roodstaartpapegaai is in zijn geheel wat donkerder
grijs van kleur dan de nominaatvorm. Verder is de kleur van de boven- en
onderstaartveren donkerbruin en de kleur van de bovensnavel is lichter.
Grijze roodstaartpapegaai -
Psittacus erithacus erithacus
Formaat:
33 - 35 cm.
Ringmaat:
11-12 mm.
Geslachtsonderscheid:
Tussen beide geslachten is weinig verschil. Vaak zijn de poppen lichter
van kleur, met name aan de onderzijde. De snavel van de pop is in het
algemeen ook iets kleiner. Verder zou de kop van de pop minder rond zijn
en de onbevederde plek rond het oog spitser toelopen als bij de man.
Zekerheid wordt echter alleen verkregen door de vogels endoscopisch dan
wel middels DNA-(veer)onderzoek te laten seksen.
Man en pop:
De algemene lichaamskleur is bleek- tot donkergrijs. Rond het oog is de
huid witachtig en niet bevederd. De stuit is grijswit. De boven- en
onderstaartveren hebben de voor deze soort zo kenmerkende rode kleur. De
ogen zijn licht tot fel geel, de snavel is zwart en de poten zijn
donkergrijs.
Herkomst en leefwijze
Psittacus erithacus
erithacus
heeft zijn verspreidingsgebied in Afrika, van Ivoorkust tot Angola en
centraal Kongo. De timneh grijze roodstaartpapegaai komt voor in Guinea,
Sierra Leone, Liberië en Ivoorkust.
In hun natuurlijk leefmilieu leven grijze roodstaartpapegaaien in het
oerwoud, waarbij hun voorkeur uitgaat naar hoge bomen aan de randen van
de wouden. Buiten de broedtijd leven ze in grote groepen bij elkaar. ’s
Avonds keren de vogels, veelal onder luidt gekrijs, terug naar hun
slaapbomen.
Hun voeding bestaat overwegend uit vruchten en zaden. Onder de inlandse
bevolking zijn ze niet altijd even populair omdat ze in grote groepen,
nog wel eens grote schade willen aanrichten aan de maïsvelden van de
plaatselijke bevolking. In de broedtijd leven ze paarsgewijs in hoge
bomen. De broedtijd varieert enigszins. In Oeganda van juli tot
september, in Kongo vanaf begin augustus en in Liberië zo rond april.
Grijze roodstaart mannen in broedconditie vertonen een duidelijk
baltsgedrag. Hierbij lopen ze met afhangende vleugels rond het vrouwtje
en voeren haar. Als broedgelegenheid maken ze gebruik van holten in hoge
bomen. De nestholten die ze daarbij in bezit nemen hebben ongeveer een
diepte van 60 cm.
De voeding van grijze roodstaartpapegaaien
De dagelijkse voeding voor grijze roodstaartpapegaaien dient grofweg uit
drie (gelijke) delen te bestaan en zou er als volgt uit kunnen zien:
-
een goed zaadmengsel voor papegaaien. Bij voorkeur zitten er in een
dergelijk mengsel ook palmnoten.
-
een mengsel van kiemzaad, eivoer en universeelvoer. Geef dit in een
verhouding van 2 delen kiemzaad, 2 delen eivoer en 2 delen
universeelvoer. Nadat het kiemzaad is geweekt kan hier het eivoer en
het universeelvoer door gemengd worden. Zolang er geen opgroeiende
jongen zijn kan hier twee keer per week, ondanks dat de vogels er
ook vrij over moeten kunnen beschikken, scherpe maagkiezel en
oesterschelpengrit aan toegevoegd worden (1 afgestreken theelepel
per 2 vogels)..
-
een mengsel van fruit (appel, peer, sinaasappel) en groenvoer (o.a.
wortel, tomaat, witlof e.d.).
Ook kan bijvoorbeeld 2 keer per week een nat gemaakt en uitgekneed snee
bruinbrood gegeven worden. Vooral als er jongen zijn wordt hier graag
van gegeten. Verder dienen de vogels dagelijks vers drinkwater
aangeboden te krijgen waaraan eenmaal per week een multivitamine kan
worden toegevoegd.
Huisvesting van grijze roodstaartpapegaaien
Een goed onderkomen voor een kweekkoppel grijze roodstaartpapegaaien is
een binnenvolière van 2,5 x 2 x 2 meter (lxbxh) met daarin een nestkast,
een klimboom en wat (knaag)takken.
Bij voorkeur heeft de binnenvolière nog een buitenvolière met een
afmeting van bijvoorbeeld 4 x 2 x 2 meter. Vanwege de sterke snavels van
de vogels is een metalen volière (bijvoorbeeld van ijzer of aluminium)
omspannen met een zware kwaliteit gaas een vereiste, bijvoorbeeld gaas
met een dikte van 2.45 mm en een maaswijdte van 25.4 x 25.4 mm.
Ook de eet- en drinkbakken dienen van metaal te zijn en zodanig
geplaatst te worden dat de vogels ze niet kunnen omgooien.
Kweken met de grijze roodstaartpapegaai in de volière
Nestblok:
Nestmateriaal:
Als nestmateriaal kan een mengsel van boshumus en houtspaanders in het
blok worden aangebracht. Ook kan een dik stuk vermolmd hout gegeven
worden. Dit wordt dan door de vogels geheel stuk geknaagd waardoor een
prima bodembedekking in het nestblok ontstaat.
Kweek:
In het algemeen zal het niet eenvoudig zijn om een bestaand (goed)
kweekkoppel te bemachtigen. In de meeste gevallen zal de kweker dan ook
zelf een koppel samen moeten stellen. Alleen al dit aspect zal de nodige
moeilijkheden kunnen opleveren omdat je immers niet zomaar even 4 tot 6
grijze roodstaartpapegaaien koopt om te kijken welke vogels goed bij
elkaar passen! Om zeker te zijn van een paartje is het belangrijk dat de
vogels gesekst zijn. Ook voor later, als mocht blijken dat de vogels
niet bij elkaar passen, zal dit bij het ruilen van één van de vogels, de
minste problemen opleveren. Grijze roodstaartpapegaaien zijn op een
leeftijd van 4 tot 5 jaar geslachtsrijp. Een belangrijk gegeven waarmee
rekening gehouden moet worden bij het kweken met deze vogels.
Bij een goed harmoniërend koppel mogen goede kweekresultaten verwacht
worden. De pop legt gemiddeld 2 tot 4 witte eieren, die met tussenpozen
van 2 tot 3 dagen worden gelegd. De eieren worden alleen door de pop
bebroed. Na ca. 29-30 dagen komt het eerste ei uit, de overige eieren
volgen in het algemeen met tussenpozen van steeds twee dagen. Gedurende
de tijd dat de pop zit te broeden wordt ze, veelal via het invlieggat,
door de man gevoerd. De jongen zijn bij de geboorte bedekt met een heel
dun laagje witgrijs dons. De rozerode huidskleur is dan ook gemakkelijk
door dit dunne dons waar te nemen. Tot ongeveer de 10e dag
worden de jongen door de pop gevoerd, daarna helpt ook de man mee de
jongen te voeren. De ogen van de jongen gaan tussen de 10e
en de 14e dag open. Na ca. 20 dagen komen de eerste grijze
veren aan de vleugels door. Rond dit tijdstip moeten de jongen ook
geringd worden (diameter 11 of 12 mm.). Het duurt ca. 40 dagen voordat
de rode staartveren zichtbaar worden. Na ruim 9 weken zitten ze volledig
in de veren.
Na ca. 90 - 100 dagen verlaten de jongen het nest. Na ongeveer een maand
kunnen de jongen bij de oudervogels worden weggehaald. De pop wil dan
nog wel eens weer met een nieuw legsel zijn begonnen.
Wat de kweek met grijze roodstaartpapegaaien betreft wijs ik graag op
een uit 1993 stammend kweekverslag van de heer M. de Ruiter van
vogelpark Gettorf (Duitsland).
De heer de Ruiter meldt in dit verslag dat in het park een koppel grijze
roodstaartpapegaaien in een binnenvolière (2 meter lang, 1 meter diep, 2
meter hoog) waren gehuisvest die het, wat de kweek betreft, lieten
afweten. Als voeding kregen de vogels een gewoon papegaaien zaadmengsel
(zonnebloem pitten, pinda’s en andere zaden) en af en toe een halve
appel of ander stuk fruit. Hoewel de vogels het prima met elkaar konden
vinden toonden ze tot op dat moment geen enkele interesse in het
nestblok (30 cm. doorsnede, 60 cm. hoog en een invlieggat met een
doorsnede van 10 cm.) dat in de volière was opgehangen.
Toen echter het zaadmengsel van de vogels tot een kwart werd
teruggebracht en werd vervangen door een kwart, in kleine blokjes
gesneden brood (rozijnenbrood en witbrood), een kwart hondenbrokken
(‘Happy Dog’) en een kwart, in kleine blokjes gesneden, fruit en groente
(appel, peer, druiven, tomaat, komkommer, meloen e.d.) bleek ineens
vanaf dat moment de interesse voor het nestblok bij de vogels gewekt.
Drie maanden nadat de voeding was gewijzigd werden er vier eieren in het
nestblok gelegd die alle vier bevrucht bleken. Alle eieren kwamen uit en
de jongen groeiden voorspoedig op. Opgemerkt dient nog te worden dat de
voeding van de jongen, naast het ‘zaad-brood-hondevlokken-fruitmengsel’
nog werd aangevuld met eivoer. Tot zover de bijzonderheden uit het
kweekverslag van de heer M. de Ruiter.
Bijzonderheden
Grijze roodstaartpapegaaien hebben een geweldig imitatie talent en zijn
over het algemeen vriendelijk tegenover hun verzorger. Ze zijn daarom
ook geschikt als huisdier. Indien besloten wordt tot aanschaf van een
grijze roodstaart als huisdier moet de vogel buiten zijn (ruime) kooi
wel voldoende bewegingsruimte hebben en zich gedurende langere tijd vrij
door het huis kunnen bewegen. Bij schrikken, onraad of te weinig
aandacht kunnen ze zeer hard schreeuwen. Dagelijkse regelmaat en
voldoende aandacht is voor deze papegaaien erg belangrijk. Net als vele
andere papegaaiensoorten kunnen grijze roodstaartpapegaaien erg oud
worden. Natuurlijk is dit van vele factoren afhankelijk zoals, voeding,
leefomgeving, algehele conditie e.d. Indien al deze factoren echter, in
de goede zin van het woord, aanwezig zijn dan kan een grijze
roodstaartpapegaai 70 jaar of ouder worden.
Bij grijze roodstaartpapegaaien komt het regelmatig voor dat ze een
duidelijke voorkeur (of hekel!!) vertonen voor een bepaald mannelijk of
vrouwelijk gezinslid. Hoewel de meningen hier over verschillen speelt,
naar mijn mening, bij die voorkeur het geslacht van de vogel geen rol.
A. van Kooten.