|
Ondersoorten
Bij de Maximiliaanpapegaai worden de volgende ondersoorten
onderscheiden:
-
Maximiliaanpapegaai -
Pionus maximiliani maximiliani
-
Tucumánpapegaai -
Pionus maximiliani lacerus
-
Zwartooglid papegaai -
Pionus maximiliani melanoblepharus
-
Siypapegaai -
Pionus maximiliani siy
Uiterlijke kenmerken en geslachtsonderscheid
Maximiliaanpapegaai (Pionus
maximiliani maximiliani)
Formaat:
29 cm.
Ringmaat:
8 mm.
Geslachtsonderscheid:Tussen
beide geslachten is geen uiterlijk waarneembaar verschil. De enige
manier om zekerheid over het geslacht te krijgen is die van endoscopisch-
en of DNA (veer)onderzoek.
Man en pop:
De algehele lichaamskleur is groen. Het voorhoofd en de teugel zijn
zwartachtig. De bevedering van de schedel en de achterkop zijn
donkergrijs gezoomd. De veren van de wangen zijn groen met smalle
blauwgrijze punten. Over de hals en de bovenzijde van de borst loopt een
blauwe band met een enigszins roodviolette glans. Borst en buik zijn
bleek groen en de onderstaartdekveren rood. De rug en de bovenste
vleugeldekveren zijn olijfbruinachtig. De middelste staartpennen zijn
groen. De buitenste staartpennen zijn blauw, aan de basis rood. De
snavel is hoornkleurig met een zwarte basis. De naakte oogring is grijs
tot grijswit gekleurd. De irissen van de ogen zijn donkerbruin en de
poten grijs.
Siy papegaai (Pionus
maximiliani siy)
Formaat:
30 cm.
Ringmaat:
8 mm.
Geslachtsonderscheid:Tussen
beide geslachten is geen uiterlijk waarneembaar verschil. De enige
manier om zekerheid over het geslacht te krijgen is die van endoscopisch-
en of DNA (veer)onderzoek.
Man en pop:
Deze ondersoort lijkt op de nominaatvorm maar de veren aan de onderzijde
van de borst, buik, rug en het vleugeldek laten een sterke bronskleurige
glans zien. De blauwe borstband is breder.
Tucumán papegaai (Pionus
maximiliani lacerus)
Formaat:
31 cm.
Ringmaat:
8 mm.
Geslachtsonderscheid:Tussen
beide geslachten is geen uiterlijk waarneembaar verschil. De enige
manier om zekerheid over het geslacht te krijgen is die van endoscopisch-
en of DNA (veer)onderzoek.
Man en pop:
P. m. lacerus
lijkt op
P. m. siy
maar de bronskleurige glans op de veren is minder sterk aanwezig. De
blauwe borstband is over het algemeen bij deze ondersoort wat
intensiever van kleur, net als de roodviolette glans op de bevedering.
Ook dijt de borstband bij deze ondersoort wat meer uit.
Zwartooglid papegaai (Pionus
maximiliani melanoblepharus)
Formaat:
31 cm.
Ringmaat:
8 mm.
Geslachtsonderscheid:Tussen
beide geslachten is geen uiterlijk waarneembaar verschil. De enige
manier om zekerheid over het geslacht te krijgen is die van endoscopisch-
en of DNA (veer)onderzoek.
Man en pop:
Deze ondersoort lijkt op de nominaatvorm maar is duidelijk donkerder
groen op de onderzijde van de borst, buik en rug. Ook de blauwe
borstband is wat intensiever van kleur.
Herkomst en leefwijze van de Maximiliaanpapegaai
De nominaatvorm,
P. m. maximiliani,
heeft zijn verspreidingsgebied in het noordoosten van Brazilië.
P. m. siy
komt voor in het zuiden van Brazilië tot Oost-Paraguay en
Noord-Argentinië.
P. m. lacerus
heeft zijn verspreidingsgebied in het noordwesten van Argentinië en
P. m. melanoblepharus
komt voor in Zuid-Brazilië zuidwaarts tot Oost-Paraguay en Noordoost
Argentinië.
Buiten de broedperiode leven ze in kleine groepen tot zwermen van 50
vogels. Ze bewonen bosgebieden tot 1500 meter hoogte. Hun voedsel
bestaat in hoofdzaak uit vruchten (wilde vijgen), noten, bessen en zaden
die ze in de bomen en struiken vinden.
De voeding van pionussen
De dagelijkse voeding voor pionussen dient grofweg uit drie (gelijke)
delen te bestaan:
1.
een goed (grof)zaadmengsel voor (grote) parkieten eventueel aangevuld
met maïskolven in halfrijpe toestand.
2.
een mengsel van kiemzaad, eivoer en universeelvoer. Geef dit in een
verhouding van 2:1:1. Nadat het kiemzaad is geweekt kan hier het eivoer
en het universeelvoer door gemengd worden. Verder is het verstandig twee
keer per week, ondanks dat de vogels er ook vrij over moeten kunnen
beschikken, scherpe maagkiezel en oesterschelpengrit door het kiemzaad
te mengen.
3.
een mengsel van fruit (druiven, sinaasappel, banaan, kiwi, vijgen,
kersen, appel, peer, sinaasappel, lijsterbes, pruimen, rozenbottel e.d.)
en groenten en onkruiden (o.a. wortel, spinazie, tomaat, witlof,
andijvie, muur, paardebloem e.d.).
Verder dienen de vogels altijd de beschikking te hebben over
vogelmineralen, grit, scherpe maagkiezel en sepia. Daarnaast dient
dagelijks vers drinkwater aangeboden te worden waaraan eenmaal per week
een multivitamine kan worden toegevoegd.
Ook mag niet vergeten worden de vogels van tijd tot tijd verse wilgen-
en fruittakken te geven. Hier zullen ze de bladknoppen van eten.
Huisvesting van pionussen
Een goed onderkomen voor een kweekkoppel pionussen is een te verwarmen
binnenvolière van 2,5 x 2 x 2 meter (lxbxh) met daarin een nestkast, een
klimboom en wat (knaag)takken.
Bij voorkeur heeft de binnenvolière nog een buitenvolière met een
afmeting van bijvoorbeeld 3 x 2 x 2 meter. Ondanks dat de knaagbehoefte
bij pionussen duidelijk minder is als dat van amazonepapegaaien is een
metalen volière (bijvoorbeeld van ijzer of aluminium),omspannen met een
zware kwaliteit gaas, aan te bevelen. Indien sprake is van naast elkaar
gelegen volières dienen deze onderling van elkaar gescheiden te zijn met
dubbel gaas tenzij er ondoorzichtige tussenwanden tussen de volières
geplaatst zijn die onderling contact onmogelijk maken. Met name in de
broedperiode willen de vogels nog wel eens agressief worden tegenover
andere vogels. Dubbelgaas en ondoorzichtige wanden tussen de
buitenvolières voorkomt dan dat de vogels elkaar door het gaas kunnen
verwonden. Ook de eet- en drinkbakken dienen van metaal te zijn en
zodanig geplaatst te worden dat de vogels ze niet kunnen omgooien.
Kweken met de Maximiliaanpapegaai in de volière
Nestblok:
Als nestgelegenheid kan een van dik hout gemaakte nestkast of een
uitgeholde natuurstam gegeven worden. Deze dient een bodemoppervlak te
hebben van 23 x 23 cm. en een hoogte van 45 cm. Het invlieggat dient een
doorsnede te hebben van ongeveer 10 cm. Het nestblok dient bij voorkeur
dikwandig (2,5 cm) en van hardhout te zijn. Verder is het aan te raden
een controle luikje in de achterwand en of zijwand van het nestblok te
maken. Ook nestblokken met andere afmetingen, bijvoorbeeld een
bodemoppervlak van 30 x 30 cm. en een hoogte van 70 cm., worden wel door
de vogels geaccepteerd. Over het algemeen zijn ze hier niet al te
kieskeurig in. Om de vogels te helpen bij het
in- en uit gaan van het blok is het noodzakelijk de binnenzijde van het
blok onder het invlieggat te voorzien van een strookje gaas en of
krammen.
Nestmateriaal:
Als nestmateriaal dient een mengsel van (onbemeste) potgrond en
houtspaanders in het blok te worden aangebracht (laagdikte ca. 8 cm.).
Ook kan een dik stuk vermolmd hout gegeven worden. Dit wordt dan door de
vogels geheel stuk geknaagd waardoor een prima bodembedekking in het
nestblok ontstaat.
De meeste
pionussen
beginnen meestal te kweken vanaf hun derde jaar. Toch zijn er ook vogels
die al in het tweede jaar beginnen. Bij een goed harmoniërend paar dat
in de juiste broedconditie verkeert zullen spoedig paringen tussen beide
vogel waargenomen kunnen worden. Bij de paring zit de man naast de pop
en legt zijn poot over haar heen. De pop staat hierbij vrij ver
voorovergebogen op de stok. Vervolgens brengt de man zijn cloaca op die
van de pop. Beide vogels slaken hierbij zachte korte geluiden. Als de
man de juiste positie heeft verkregen, hetgeen langere tijd kan duren,
steunt hij met de snavel op de stok en brengt dan de copulatie tot
stand.
De pop legt gemiddeld 3 tot 4 eieren, die ze om de dag legt. Tussen het
leggen van de eieren kunnen soms meerdere dagen zitten. Vaak gaat de pop
al bij het eerste ei vast zitten te broeden. De broedduur bedraagt
ongeveer 26 dagen. De jongen openen de ogen op een leeftijd van ca. 4
weken. Als de jongen ca. 3 weken oud zijn worden de eerste veerschachten
zichtbaar. Na 12 weken zitten ze al behoorlijk in de veren en na
ongeveer 7 weken verlaten ze het nestblok. Hierna worden ze nog 3 tot 4
weken door de oudervogels (bij)gevoerd.
Bijzonderheden:
Voor goede kweekresultaten is het zeer belangrijk dat de vogels kunnen
beschikken over een gevarieerde voeding, met name groenvoer (zie bij ´de
voeding van roodstuitpapegaaien´).
De meeste
pionussen
baden graag, dus is het vertrekken van badschotels aan te bevelen.
In de winter moeten de vogels niet beneden de 5
°C worden gehuisvest. Het
nachtverblijf dient daarom, zoals reeds eerder aangegeven, verwarmd te
kunnen worden.
Vogels die lusteloos en niet actief zijn blijken vaak een tekort te
hebben aan vitamine A. Dergelijke vogels dienen onderzocht te worden
door een dierenarts en als dit inderdaad gediagnosticeerd wordt vitamine
A injecties te krijgen.
Als de vogels gehuisvest zijn in een volière waar ze in de grond kunnen
´wroeten´ is het zaak ze regelmatig te controleren op wormen..
A. van Kooten
|