|
Ondersoorten
Bij de witruglori worden geen ondersoorten onderscheiden.
Formaat:
26 cm.
Ringmaat:
6,5 mm.
Geslachtsonderscheid:
Tussen beide geslachten is geen uiterlijk waarneembaar verschil. De
enige manier om zekerheid over het geslacht te krijgen is die van
endoscopisch- en of DNA (veer)onderzoek.
Man en pop:
De lichaamskleur is overwegend donker olijfbruin. De schedel is bleek
geel. De veren van de nek en de borst hebben een bleekgele omzoming. De
hals en de borst zijn voorzien van een gele tot oranjerode band. De
bevedering van de buik en de dijen is geel tot oranjerood. De
ondervleugeldekveren zijn olijfgeel. De onderzijde van de vleugels
hebben verder nog twee oranjegele strepen. De bevedering van de rug en
de stuit is geelachtig wit van kleur en de onderstaartdekveren zijn
purper blauw. De staart is bleek olijfgeel en oranje bewaasd. De naakte
oogring is donkergrijs en de irissen zijn oranjerood. De snavel is
oranjerood en de poten zijn donkergrijs.
Opmerking: Bij de witruglori komen zowel in de vrije natuur als in
avicultuur twee duidelijke variëteiten voor, namelijk de zuivere gele en
de rode. Ook zijn er vogels die het midden houden tussen geel en rood.
Herkomst en leefwijze van de witruglori
De witruglori heeft zijn verspreidingsgebied op Nieuw Guinea en op de
nabij gelegen eilanden Salawati en Japen. Ze bewonen hier bosgebieden en
gebieden met open bosbestanden tot op hoogten van 2400 meter. Buiten de
broedperiode leven de vogels in kleine groepen tot zwermen van meer dan
100 vogels. In ´slaapbomen´ komen ze zelfs bij duizenden voor. Het
voedsel wat ze tot zich nemen bestaat in hoofdzaak uit kruidachtige
planten, nectar, bloesems en vruchten.
De voeding van lories
Zoals in het algemene gedeelte over lories reeds is vermeld, zijn het
vogels die hoofdzakelijk bloesem, nectar,
bladknoppen en verschillende soorten zachte vruchten en insecten eten.
Ze stellen dan ook hele andere eisen aan de voeding dan de meeste
andere kromsnavels. Gelukkig zijn er heden ten dage diverse volwaardige
kant en klaar voeders voor lories en andere
zachtvoereters in de handel. In de meeste gevallen zijn de vogels hier
dan ook prima op te houden. Betreffende voeders kunnen variëren van
korrelig tot poedervormig en moeten worden aangelengd met water.
Tegenwoordig zijn er ook pellets in de handel die speciaal voor lories
zijn ontwikkeld.
F. Beswerda,een goede vriend van mij, was één van de eerste kwekers in
Nederland die succesvol kweekte met lories. Na jarenlang
geëxperimenteerd te hebben met de voeding voor zijn lories ontwikkelde
hij uiteindelijk een recept waarmee hij zeer goede kweekresultaten
behaalde en haalt. Dit recept bestaat uit twee gelijke delen en ziet er
als volgt uit:
1. Een
moes van fruit en groente. Deze wordt gemaakt van appels, peren,
aardbeien, ananas, wortelen, komkommers en andere groente- en
fruitsoorten die op dat moment beschikbaar zijn (geen bananen en
sinaasappelen, deze kunnen namelijk darmstoornissen veroorzaken).
2. Een
mengsel van nutrix rijstebloem, bambix, eivoer en insectenvoer, waaraan
vervolgens nog een theekopje roosvicè, twee theelepeltjes gistocal, een
half theelepeltje zeewier, een dessertlepel multivitamine, een theekopje
druivensuiker en een flinke hoeveelheid honing wordt toegevoegd.**
Bovenstaand mengsel wordt vervolgens aangelengd met water tot dat het de
dikte heeft bereikt van yoghurt. Het voer kan in grotere porties worden
aangemaakt en in de diepvries bewaard.
** Voor ´mengsel 2´ kan eventueel ook een kant en klaar lorivoer
gebruikt worden.
Bovenstaande voeding kan eventueel dagelijks nog worden aangevuld met
een weinig zonnebloempitten en trosgierst (wordt niet door alle soorten
gegeten). Naast bovenstaande voeding kunnen, indien voorradig,
wilgentakken en onrijpe gras- en onkruidzaden aan de vogels gegeven
worden. Verder is belangrijk om het voedsel van lories in vrij zware
voerbakjes aan te bieden. Dit voorkomt dat de vogels ze omgooien en of
er mee gaan spelen, wat ze graag doen! Verder is het van belang dat het
voer niet te dik is. Bij het oplikken van het lorivoer met de
penseeltong steken ze de snavel vrij diep in het voer. Hierbij komt voer
op de bevedering wat ze vervolgens verwijderen door met de kop te
schudden. Bij een te dik voer zullen de resten van de kop ´vliegen´ en
overal in de volière terecht komen. Daarnaast zullen er bij een te dik
voer voedselresten aan de snavel blijven kleven, die op den duur een
korst kunnen vormen op en boven de snavel. Dit kan op zijn beurt weer
aanleiding geven tot vervelende schimmelinfecties bij de vogels.
Huisvesting van lories
Een volière voor de wat grotere soorten lories dient een minimale lengte
te bezitten van 3
á
4 meter, een breedte van 1 meter en een hoogte van ca. 2 meter. Een
langere volière is niet echt nodig omdat lories geen typische vliegers
zijn. Ze houden meer van klauteren, springen en klimmen. De volière
dient daarom klimbomen, dikke stukken touw en ander speelgerei te
bevatten. Verder moet
het verblijf gemakkelijk schoon te houden zijn, dit in verband met de
dunne ontlasting van de vogels. Dit betekent dat de de wanden en de
vloeren het beste van gladde materialen, bijvoorbeeld trespa of
tegeltjes kan zijn vervaardigd.
Lories
dienen het gehele jaar door een dikwandig broedblok tot hun beschikking
te hebben omdat ze hier niet alleen in broeden maar er ook de nachten in
door brengen. Het nachtverblijf dient
verwarmd te kunnen worden omdat niet alle soorten winterhard zijn.
Verwarming is ook gewenst omdat sommige soorten in de winter broeden.
Door de kou koelen de eieren dan snel af, vooral als de vogels voor
langere tijd het nest verlaten. Het is daarom aan te bevelen de
temperatuur niet onder de 10 °C
te laten komen. Omdat verschillende
soorten het gehele jaar door broeden is het wel noodzakelijk dat de
kweekruimte over een kunstmatige verlichting beschikt. Een kunstmatige
verlichting schept de mogelijkheid om de dagen (kunstmatig) te verlengen
tot minimaal 12 uur en biedt daarmee gelegenheid aan de oudervogels om
hun jongen over de dag voldoende voer aan te bieden.
Het nachtverblijf moet ongeveer een
afmeting hebben van 2 x 1 x 2 meter (lxbxh). Indien er sprake is
van naastgelegen rennen is het van belang om
de tussenwanden van zowel het nachthok als de buitenrennen van
dubbelwandig gaas te maken zodat de vogels elkaar niet door het gaas
heen kunnen verwonden.
Voor de buitenvolières is het van belang dat de ondergrond goed
gedraineerd is, zodat de dunne uitwerpselen van de vogels gemakkelijk
weggespoeld kunnen worden. Een goede ondergrond hiervoor is een flinke
laag grof grind. Dit is met een tuinslang gemakkelijk schoon te spuiten
en ook kan het vrij gemakkelijk omgeharkt worden. Lories houden erg van
baden, de vogels moeten dan ook steeds de beschikking hebben over vers
badwater. Zorg er ook voor dat een deel van de buitenvolières open is
zodat ze ook van een mals regenbuitje kunnen genieten! Om aan de
behoefte van baden tegemoet te komen zou eventueel ook een kunstmatige
beregeningsinstallatie aangelegd kunnen worden in de buitenvolière(s).
Kweken met de witruglori in de volière
Nestblok:
De vogels dienen het gehele jaar door een dikwandig broedblok tot hun
beschikking te hebben omdat ze hier niet alleen in broeden maar er ook
de nachten in door brengen. Het nestblok cq. ‘de slaapkast’ dient een
afmeting te hebben van 40 cm. hoog en een bodemoppervlak van 25 x 25 cm.
Het invlieggat dient een diameter te hebben van 7 cm.
Voor het uitvoeren van nestcontroles is het handig om op een hoogte van
10 cm. boven het bodemoppervlak een inspectieluikje te maken.
Nestmateriaal:
Als nestmateriaal dient een laag houtspaanders in het blok te worden
aangebracht. Deze laag mag niet te dik zijn en moet flink aangestampt
worden zodat eventueel gelegde eieren niet in de houtkrullen wegzakken.
Als er jongen zijn dient, vanwege de dunne ontlasting van de jongen, met
enige regelmaat het nestmateriaal ververst te worden.
Kweek:
Witruglories zijn op een leeftijd van drie jaar geslachtsrijp. Het zijn
over het algemeen geen moeilijke broedvogels. De pop legt twee eieren
die na ongeveer 24 dagen uit komen. Jonge witruglories groeien, in
tegenstelling tot andere loriesoorten, vrij langzaam. Ze hoeven dan ook
pas op een leeftijd van drie tot vier weken te worden geringd met
ringmaat 6,5 mm. De jongen vliegen op een leeftijd van 10 tot 12 weken
uit en worden dan nog geruime tijd door de oudervogels (bij) gevoerd.
Ook als de jongen al zelfstandig zijn blijven ze nog geruime tijd
bedelen om voedsel bij de ouders. Na ongeveer zeven maanden zijn de
jonge vogels volledig op kleur en nog maar nauwelijks van de ouders te
onderscheiden.
Bijzonderheden
De rode kleur van de vogels kan variëren van diep rood tot helder geel.
In het verleden gaf dit aanleiding om de gele variëteit als een aparte
ondersoort,
P. f. incondita
te beschouwen. De diverse kleurvariëteiten worden nu echter als één en
dezelfde soort beschouwd. Sommige auteurs vermelden dat de gele vogels,
nog niet op kleur zijnde jonge vogels zijn. Dit is echter beslist
onjuist. Jonge witruglories hebben bij het uitvliegen bijna dezelfde
kleur als de ouders, de kleur is alleen iets minder intensief.
A. van Kooten
|