|
Ondersoorten
Bij de kleine geelkuifkaketoe worden de volgende ondersoorten
onderscheiden:
-
Kleine geelkuifkaketoe -
Cacatua
sulphurea sulphurea
-
Timor kleine geelkuifkaketoe -
Cacatua
sulphurea parvula
-
Abbott´s kleine geelkuifkaketoe -
Cacatua sulphurea abbotti
-
Oranjekuifkaketoe -
Cacatua
sulphurea citrinocristata
Kleine geelkuifkaketoe -
Cacatua sulphurea sulphurea
Formaat:
33 cm.
Ringmaat:
mm.
Geslachtsonderscheid:
Tussen beide geslachten is enig uiterlijk verschil. De pop heeft een
bruinachtig rode iris i.p.v. een nagenoeg zwarte zoals de man.
Man en pop:
De hoofdkleur is wit. De kuif en de dekveren bij de oren zijn intensief
geel van kleur. De ondervleugeldekveren en de onderstaartdekveren zijn
geel overgoten. De naakte oogring is wit. De iris donkerbruin. De poten
zijn grijs en de snavel zwart.
Timor kleine geelkuifkaketoe -
Cacatua sulphurea parvula
Formaat:
33 cm.
Ringmaat:
mm.
Geslachtsonderscheid:
Tussen beide geslachten is enig uiterlijk verschil. De pop heeft een
bruinachtig rode iris i.p.v. een nagenoeg zwarte zoals de man.
Man en pop:
Deze ondersoort is gelijk aan de nominaatvorm maar heeft een blekere
gele oorvlek.
Abbott´s kleine geelkuifkaketoe -
Cacatua sulphurea abbotti
Formaat:
40 cm.
Ringmaat:
mm.
Geslachtsonderscheid:
Tussen beide geslachten is enig uiterlijk verschil. De pop heeft een
bruinachtig rode iris i.p.v. een nagenoeg zwarte zoals de man.
Man en pop:
Deze ondersoort is gelijk aan de nominaatvorm maar heeft een bleek gele
oorvlek en is duidelijk groter.
Oranjekuifkaketoe -
Cacatua sulphurea citrinocristata
Formaat:
38 cm.
Ringmaat:
mm.
Geslachtsonderscheid:
Tussen beide geslachten is enig uiterlijk verschil. De pop heeft een
bruinachtig rode iris i.p.v. een nagenoeg zwarte zoals de man.
Man en pop:
Deze ondersoort is gelijk aan de nominaatvorm met dien verschil dat de
veren van de kuif en de oorstreek oranje zijn en het formaat groter.
Herkomst en leefwijze van de kleine geelkuifkaketoe
C. s. sulphurea heeft
zijn verspreidingsgebied in Sulawesi, Buton, Muna, Tukanbesi, Djampea,
Kajuadi, Kalao, Madu en Kalaotura. Mogelijk dat populaties van de
nominaatvorm ook in Singapoer voorkomen. De Timor kleine geelkuifkaketoe
komt voor in Indonesië op de kleine Sunda eilanden (met uitzondering van
Sumba) van Lombok tot Timor en Semao als ook Nusa Penida.
C. s. abbotti
komt voor op het Indonesische eiland Salembu. De oranjekuifkaketoe heeft
zijn verspreidingsgebied op het Indonesische eiland Sumba.
Kleine geelkuifkaketoes houden zich bij voorkeur op in open bosgebieden,
langs bosranden en halfdroge gebieden met boombestanden tot op hoogten
van 1200 meter. Ze leven hier veelal paarsgewijs of in kleine groepen
tot 10 vogels. Hun voedsel bestaat in hoofdzaak uit zaden, vruchten,
bessen, noten en bloesems van struiken en bomen.
Kweken met kleine geelkuifkaketoes in de voličre
Nestblok:
Als nestgelegenheid kan het beste een van dik hardhout gemaakte nestkast
gegeven worden. Deze dient een bodemoppervlak te hebben van 30 x 30 cm.
en een hoogte van 65 cm. Het blok dient meerdere invliegopeningen te
hebben zodat de pop, bij een eventuele aanval van de man, kan vluchten.
De invliegopeningen dienen een minimale doorsnede te hebben van 12 cm.
Om de vogels te helpen bij het in- en uit
gaan van het blok is het aan te raden de binnenzijde van het blok onder
het invlieggat te voorzien van een strook gaas en of krammen. Verder is
het aan te bevelen een inspectieluikje aan te brengen op ongeveer 10 cm.
hoogte van het bodemoppervlak. Het is verstandig meerdere blokken op te
hangen omdat de vogels de blok(ken) vaak aan stukken knagen.
Nestmateriaal:
Als nestmateriaal kan een mengsel van houtspaanders met potgrond en of
boshumus in het blok worden aangebracht. Ook kunnen dikke stukken
vermolmd hout gegeven worden. Dit wordt dan door de vogels geheel stuk
geknaagd waardoor een prima bodembedekking in het nestblok ontstaat.
Kweek:
Het broedproces begint meestal eind april begin mei. Nadat de paringen
hebben plaatsgevonden worden vrij kort hierop de eieren gelgd. Veelal
legt de pop 3 tot 4 eieren die door beide vogels worden bebroed. Bij het
broeden lossen ze elkaar af tot het uitkomen van de eieren. Het komt ook
regelmatig voor dat beide vogels gelijktijdig in het broedblok aanwezig
zijn. De broedduur bedraagt 23 - 24 dagen. De jongen worden door beide
oudervogels gevoed en verzorgd. De jongen moeten tussen dag 15 en 20
worden geringd met ringmaat 8,5 mm. De ringen kunnen het beste zwart
gemaakt worden omdat de oudervogels de glanzende ringen nog wel eens
willen verwijderen. Dat het jong hier dan aan vastzit maakt hun daarbij
niets uit! Na ongeveer 8 – 10 weken vliegen de jongen uit, dit kan erg
variëren. Na het uitvliegen worden ze nog ongeveer 6 tot 7 weken door de
ouders (bij)gevoerd alvorens ze zelfstandig zijn. De oogkleur van de
jongen begint na ca. 6 maanden van kleur te veranderen.
Bijzonderheden
De mannen van de kleine geelkuifkaketoes kunnen bijzonder agressief
worden tegenover de pop. Lees hier meer over bij: ´Bijzonderheden ´rosékaketoes.
Kaketoes zijn zeer luidruchtige vogels en daardoor niet echt geschikt om
te houden bij naaste buren.
A. van Kooten
|